Op het spoor van Benfo
- expositietekst door Ruud Soudijn -
- expositietekst door Ruud Soudijn -
Dames en heren, graag wil ik u, ook namens de makers van al dit moois welkom heten op deze expositie van BENFO, een geheel nieuwe kunstenaar. Ik mag dat doen als oude vriend, als getuige in Bourgogne en bovendien als iemand die een groot deel van zijn leven heeft gewijd aan de opbouw van samenwerking.
Als buurman in Bourgogne, was ik een getuige. Ik zag de omgeving waar al dit moois tot stand kwam, ik zag wat er gebeurde in die kerk in Avallon, in die stad in het midden van de Bourgondische heuvels en wouden, ik zag hoe de werken daar hingen in die vroeg middeleeuwse kerk.
Als buurman in Bourgogne, was ik een getuige. Ik zag de omgeving waar al dit moois tot stand kwam, ik zag wat er gebeurde in die kerk in Avallon, in die stad in het midden van de Bourgondische heuvels en wouden, ik zag hoe de werken daar hingen in die vroeg middeleeuwse kerk.
En ik hoorde en las hoe de reactie was van plaatselijke notabelen en de bourgeoisie.
Ik zag daar in rap tempo schilderijen ontstaan, vol kleur en beweging. En ik zag soms een glimp van BENFO.
En ik kan u daarom meteen een raadsel opgeven; vandaag hangen er schitterende schilderwerken van BENFO, en u ziet ook Ben Vollers en Fons Heijnsbroek, maar BENFO zelf, die zal er vandaag niet echt bij kunnen zijn. U ziet vandaag de schitterende sporen van BENFO, maar BENFO zelf, die ziet u niet.
Ik ga proberen u dit raadsel uit te leggen. En dan moet ik beginnen met mijn eigen vooroordelen over samenwerking in de kunsten en wat daarvan zou kunnen komen.
Net zoals uzelf misschien, ben ik nog grootgebracht met het idee, dat kunst de “allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie” zou moeten zijn en bovendien dat kunst moest worden gemaakt vanwege de kunst zelf.
Met andere woorden: kunst onderhoudt een allerindividueelste relatie met de kunstenaar en de kunstenaar dus ook met zijn kunst en met zijn onbereikbaar aanbiddelijke muze.
Dus: Kunst verdraagt geen pottenkijkers, laat staan dat de ene kunstenaar de vrijheid zou kunnen hebben om de kunst van een ander als ondergrond te gebruiken voor zijn eigen werk, als een soort graffiti en omgekeerd, dat zou vanuit die gedachte alleen een permanente reeks van reciproque beledigingen kunnen opleveren, maar geen kunst...
Meesterwerken moeten ontstaan zoals bij voorbeeld de Max Havelaar, tot stand kwam:
Ik zag daar in rap tempo schilderijen ontstaan, vol kleur en beweging. En ik zag soms een glimp van BENFO.
En ik kan u daarom meteen een raadsel opgeven; vandaag hangen er schitterende schilderwerken van BENFO, en u ziet ook Ben Vollers en Fons Heijnsbroek, maar BENFO zelf, die zal er vandaag niet echt bij kunnen zijn. U ziet vandaag de schitterende sporen van BENFO, maar BENFO zelf, die ziet u niet.
Ik ga proberen u dit raadsel uit te leggen. En dan moet ik beginnen met mijn eigen vooroordelen over samenwerking in de kunsten en wat daarvan zou kunnen komen.
Net zoals uzelf misschien, ben ik nog grootgebracht met het idee, dat kunst de “allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie” zou moeten zijn en bovendien dat kunst moest worden gemaakt vanwege de kunst zelf.
Met andere woorden: kunst onderhoudt een allerindividueelste relatie met de kunstenaar en de kunstenaar dus ook met zijn kunst en met zijn onbereikbaar aanbiddelijke muze.
Dus: Kunst verdraagt geen pottenkijkers, laat staan dat de ene kunstenaar de vrijheid zou kunnen hebben om de kunst van een ander als ondergrond te gebruiken voor zijn eigen werk, als een soort graffiti en omgekeerd, dat zou vanuit die gedachte alleen een permanente reeks van reciproque beledigingen kunnen opleveren, maar geen kunst...
Meesterwerken moeten ontstaan zoals bij voorbeeld de Max Havelaar, tot stand kwam:
in drie weken tijd,
in diepe eenzaamheid,
met nauwelijks iets te eten,
een onverwarmde zolderkamer,
midden in de winter in Brussel anno 1859
geheel alleen en onbegrepen.
Kortom kunst is eenzaam.
Kunst is lijden en diepe zielenpijn.
Kunst gaat van au.
Tot zover mijn vooroordeel, uit oude tijden.
Maar toch, de schilderijen die ik zag waren soms raadselachtig mooi, dus wilde ik daar meer van weten.
Dus ging ik naar Ben en Fons. Om er achter te komen hoe dat zat met die samenwerking. Als organisatieman gebruik ik beelden over samenwerking die zijn gericht op het product: dus had ik al een begin van een verhaal bedacht om het geheim van deze succesvolle samenwerking op het spoor te komen.
Maar toch, de schilderijen die ik zag waren soms raadselachtig mooi, dus wilde ik daar meer van weten.
Dus ging ik naar Ben en Fons. Om er achter te komen hoe dat zat met die samenwerking. Als organisatieman gebruik ik beelden over samenwerking die zijn gericht op het product: dus had ik al een begin van een verhaal bedacht om het geheim van deze succesvolle samenwerking op het spoor te komen.
Dat verhaal over samenwerking dat ging als volgt, het is ook een verhaal dat bij fusies dikwijls wordt gebruikt:
Er waren eens een beeldschone, blonde, onzekere filmster en een zeer ijdele maar foeilelijke stokoude wijsgeer. Beiden wereldberoemd (Bardot en Sartre?):
Schreef de filmster tot de wijsgeer:
Er waren eens een beeldschone, blonde, onzekere filmster en een zeer ijdele maar foeilelijke stokoude wijsgeer. Beiden wereldberoemd (Bardot en Sartre?):
Schreef de filmster tot de wijsgeer:
“ stel u toch eens voor, een kind van ons samen; mijn schoonheid en uw verstand in één kind samengebracht. Zou dat niet schitterend zijn?”
Schreef de wijsgeer terug:
“ maar stelt u zich toch voor dat het kind uw verstand en mijn schoonheid zou erven.”
En dat was toen het einde van een mooi initiatief. Geen woord over het proces, ze hadden uitsluitend oog voor het beoogde product.
Maar goed; Gewapend met dit verhaaltje ging ik een avond praten met Fons en Ben, met als achterliggende vraag hoe je ervoor zorgt dat de baby, of in dit geval de schilderijen, vooral een combinatie worden van de krachtige punten van beide schilders en hoe je de shit eruit kan laten.
Welnu, dat was dus een foute binnenkomer. Na een minuut was duidelijk dat het hier om heel andere dingen ging en dat niet het product, maar eigenlijk alleen het proces telde. Het ging om een dialoog die ontstond, improvisatie, geïmproviseerde muziek, de vergelijking met jazz kwam langs en met een beroemde uitspraak van Eric Dolphy, een van de grilligste jazzmusici aller tijden:
“When you hear music after it’s over, it’s gone in the air, you can never capture it again.”
Maar goed; Gewapend met dit verhaaltje ging ik een avond praten met Fons en Ben, met als achterliggende vraag hoe je ervoor zorgt dat de baby, of in dit geval de schilderijen, vooral een combinatie worden van de krachtige punten van beide schilders en hoe je de shit eruit kan laten.
Welnu, dat was dus een foute binnenkomer. Na een minuut was duidelijk dat het hier om heel andere dingen ging en dat niet het product, maar eigenlijk alleen het proces telde. Het ging om een dialoog die ontstond, improvisatie, geïmproviseerde muziek, de vergelijking met jazz kwam langs en met een beroemde uitspraak van Eric Dolphy, een van de grilligste jazzmusici aller tijden:
“When you hear music after it’s over, it’s gone in the air, you can never capture it again.”
Als je luistert naar muziek en het is voorbij, dan is het weggevlogen, in de lucht verdwenen, dan kan je het nooit meer terughalen.
Maar wat moet je dan denken van de producten die overblijven, ik heb veel mooie opnamen van Dolphy en ik zie hier veel mooie schilderijen hangen. Die zijn echt niet met de wind mee.
Maar wat moet je dan denken van de producten die overblijven, ik heb veel mooie opnamen van Dolphy en ik zie hier veel mooie schilderijen hangen. Die zijn echt niet met de wind mee.
De kern bleek uiteindelijk het proces te zijn. Als het proces afgelopen was, dat was het weg: het was de roes, de synergie van de collectieve improvisatie, dat ongrijpbare element daar ging het om.
En dus ging bijna alles wat ik die avond hoorde van Ben en van Fons, niet over de producten, maar over het proces van ontstaan.
Dat proces begon als een dialoog in verf, een dialoog tussen twee schilders. Soms om de beurt, als spel van vraag en antwoord. Soms gelijktijdig elk in een andere hoek.
Dat proces begon als een dialoog in verf, een dialoog tussen twee schilders. Soms om de beurt, als spel van vraag en antwoord. Soms gelijktijdig elk in een andere hoek.
En al werkenderwijs gaan dan de individuele bijdragen op in een geheel, ontstond er een synthese, waarin niet meer duidelijk te onderscheiden is wie welke bijdrage leverde, wat van wie was, of zelfs wie wie was.
Er ontstaat een flow, een roes, een synergie. En daarin ontstaat tijdelijk een geheel nieuwe entiteit, een nieuwe kunstenaar met een heel nieuwe eigenheid.
Eén schilder met de gedaante van een wezen met twee hoofden en acht ledematen, (een dubbelhoofdige spin dus eigenlijk) die goed geïntegreerd in volkomen samenhang in heftige concentratie verzonken doek na doek en werk na werk produceerde.
Van wie is dit werk? Van Ben? Van Fons? Van geen van beiden dus. Van wie dan wel? Hoe signeer je zo’n werk?
BENFO was gekomen en BENFO was, zo is mij van twee kanten verzekerd, niet een optelling van twee schilders, maar een nieuw geheel, een nieuwe entiteit, een nieuwe kunstenaar, met geheel eigen eigenschappen die dus ook als zodanig een aparte status verdient. BENFO heeft een eigen karakter en beheptheden, die soms in de verste verten niet herinnert aan Ben of aan Fons. Naast een kunstenaar, betekent BENFO vooral ook een piekervaring voor Ben en voor Fons, die geïntegreerde samenwerking waarin BENFO wordt opgeroepen.
Hoe moeten we dit zien: is dit een vorm van postmoderne bezetenheid? De samenwerking leverde aan beide makers heel nieuwe impulsen, waardoor de gebruikelijke individuele grenzen werden doorbroken en eigen beheptheden meer nog tot het uiterste werden benut dan tijdens individuele sessies. En dat leverde na die samenwerking een loodzware uitputting, waarin soms maanden niet meer kon worden geschilderd.
In ieder geval lijkt deze samenwerking uniek: wel vaker zijn de schilderkunst coproducties zijn ontstaan. Maar de samenwerking die hier aan de hand was gaat verder dan ik ooit heb gehoord.
Het zal u nu duidelijk zijn dat BENFO hier vandaag alleen in de geest aanwezig zal zijn. Hij laat u groeten, maar hij is nu weer even gone with the air. Hij en niemand anders is het ongrijpbare element dat Eric Dolphy bedoelde.
Het zal u nu duidelijk zijn dat BENFO hier vandaag alleen in de geest aanwezig zal zijn. Hij laat u groeten, maar hij is nu weer even gone with the air. Hij en niemand anders is het ongrijpbare element dat Eric Dolphy bedoelde.
Maar gelukkig heeft BENFO sporen nagelaten. Sporen in de vorm van de schilderijen die hier hangen. Wij, als eenzame buitenstaanders, moeten het daarmee doen.
Maar vergeet niet dat dit producten zijn van een uit de hand gelopen dialoog. Treedt u daarom ook uit de traditionele rol van toeschouwer.
Maak nog eens wandeling door deze schilderijentuin. U ziet nog eens Benfo’s sporen, het zijn werken vol rijke accenten en kleurschakeringen, u ziet een synthese van terloopse subtiliteit en onbekommerde brute kracht, een samenspel van argeloze elegantie en stormachtige dynamiek, telkens met een andere balans van kleur en beweging. Het zijn producten van een dialoog.
Laat tijdens uw wandeling toe, dat zij op hun beurt het gesprek met u openen en kijk wat er gebeurt als u iets terugzegt.
Toen ik dat zelf deed ontstond bij sommige schilderijen ogenblikkelijk een gesprek en u zult zelfs zien dat sommige van deze schilderijen absoluut geen tegenspraak zullen dulden. Wandel dus door deze schilderijentuin. De schilderijen, sommige daarvan gaan tegen u praten en voor ieder zullen dat weer andere zijn die dat doen. Geef die dan ook de kans om wat langer dan alleen nu met u in gesprek te blijven. Bij voorbeeld bij u thuis. Het is de moeite waard.
Ik dank u voor uw aandacht en ik wens u een prettige rondgang.
RJS
07-02-2010
























