Met jammen schilderen, zoals in de jazz
* Zijn we in het Benfo-schilderen bezig met jammen/jazz in verf? Ja, even onvoorspelbaar en even sterk gericht op het gaande proces. Maar ook: Nee, want jammen is even meespelen, tijdelijk. In wisselende groepjes. Wat wij doen is improviseren: niet op een bestaand thema en niet om de beurt, maar ter plekke op elkaar. Na de jazz-improviasatie is alles weg, slechts een herinnering. Bij ons schilderen is er een schilderij dat sporen laat zien achteraf van het improviseren.
* We hebben als Benfo geen concept, geen thema in ons hoofd. We beginnen volkomen blanco. Maar we hebben elkaars inbreng om op door te reageren.
Bijv: Ben maakt een lijn en Fons neemt die lijn over, of zet er een lijn naast, of verandert de kleur ervan, of breekt hem. Blijkbaar voelen we elkaars manier van werken goed aan.
* Gemeenschappelijk in ons schilderen is dat we geen voorschets gebruiken, nauwelijks een idee-vooraf hebben en dat we allebei de verf heel direct erop zetten, en daar al doende op doorreageren. Het lukt ook alleen met acrylverf: direct, snel drogen. Als we samen schilderen op érén doek bieden we elkaar beeldmateriaal aan waarop de ander kan door-associëren. Allebei ervaren we dat er zo beeldvormen ontstaan die we indivudueel niet hadden kunnen bedenken of kunnen ontwikkelen. De ander is nodig om uit de eigen beperking in beeldtaal te stappen.
* Er groeit al doende een langdurig project waarin elk schilderij op zich een improvisatie is. Met muziek en bij jammen is er alleen maar het nu, het ter plekke reageren, het vraag en antwoord; dat lijkt op wat wij doen. De een geeft een voorzet, een voorstel in beeld. De ander kan daarop reageren. Maar soms ook zijn we allebei tegelijk op een plek op het doek bezig zonder dat we de ander bezig zien tijdens het neerzetten. Dan pas zien we het achteraf. Ontregelen!
*We schilderen eigenlijk ook sterk vanuit de beelden van de schilderkunst zelf. Er moet iets al zijn, je kan niet puur uit het niets abstract schilderen. Wij hebben al van alles in ons achterhoofd, dat is de schilderkunst zelf, de beelden daarvan. Daarin lijken we wel op het jammen in de jazz; zij putten ook uit de voorgaande jazz. Zij variëren op een bekend nummer, een standard, die elke goede of ingewerkte jazzmusicus kent. Zo zijn wij ingewerkt in met name het abstracta-expressionisme, maar ook in het expressieve schilderen, we schrijven en praten over schilderkunst, zonder deze tot concepten te maken!
*Tijdens het schilderen werd aanvankelijk door ons gezegd: - mag dit weg? - is er iets wat nog moet blijven? - dit is een mooie partij die waardevol is,blijf even af! - transparant daar, die wil ik even zichtbaar houden - mag ik die horizontale lijn doorbreken? - Zullen we even 10 minuten kijken
* We werken naar samenhang! De samenhang van het doek is niet vanzelfsprekend. Er moet samenhang zijn wil er sprake zijn van een schilderij. Is dat het al of nog niet? Moet je een bereikte samenhang handhaven of prijsgeven? Is er voldoende kleur die bindt?
* Er ontstaan dingen die aan onszelf vreemd zijn, en dan ontstaat de vraag: heeft dat waarde, en met name, heeft het met mij en of met die ander te maken?? Er ontstaat andere werkelijkheid, andere beeldtaal die we nog niet kennen (we drijven elkaar hierin op) en het punt is dan: accepteren we die? Als schilderij?
* Eric Dolphy : 'when the music is over, it is gone in the air, it will never happen again!' Dus het staat helemaal in het nu, het jammen, maar bij ons dan in de verf, in beeld. Het schilderij is bij ons eigenlijk de afdruk van ons reageren op elkaar op dat moment. Als het opgenomen wordt zijn ze zich bewust van het uiteindelijke resultaat, maar het ontstaat wel al improviserende. Wat zijn onze standaards?? Dat zijn niet alleen de klappers binnen het abstract-expressionisme. Maar we hebben ze wel in ons hoofd. We hebben ook de stad in ons hoofd, en het licht, en van Gogh en Soutine, Ruysdael, Corot, Guston, enz..
* Dus we gaan niet uit van een al bestaand schilderij of schilder. Maar wel ligt gelijk met de jazz dat bijvoorbeeld: in een solo kan Coltrane heel even langs die bekende standaard gaan, Zo gaan wij regelmatig – niet bewust – langs bestaande schilderijen, zoals de roze-vingerige Dageraad of Tiepolo, Corot, Tapies. Daar blijft het dan niet bij, maar we herkennen al schilderend de bestaande beelden die langskomen wandelen..
* De methode van Benfo is abstract-expressionistisch: spontaan, improviseren op een lijn of kleur die tevoorschijn is gekomen, veel associaties. maar ons reservoir is de gehele schilderkunst. Er is jazz die via akkoordenschema’s spelen: In G of in G minor. Dat heeft een bepaalde klank en een bepaalde klankkleur. Onze akkoorden zijn ontleend uit de ons verwante schilderkunst, een akkoord of een toon. Waar de ander weer op reageert. Soms schril (Ben zet iets neer en ik zet er een schrille lijn doorheen. Of we zetten in een lichte partij een zwaar akkoord neer. Soms wordt daaraan geschaafd, omdat het akkoord niet meer weg kan zonder dat het hele schilderij in elkaar dondert. Dan moet het gedimd worden, of overgenomen worden of voortgezet of een ander deel.
* Ons schilderij is een bouwwerk. In die zin dat er een noodzakelijke samenhang in moet zitten en dat de onderdelen met elkaar die samenhang moeten bewerkstelligen. Zeg maar structuur: balans, evenwicht, contrast. Daardoorheen is er vrijheid.
Maar het uiteindelijke schilderij moet meer zijn dan dat! Anders is het mislukt!
* Naast het spontane is er ook een gedeelte van heel bewust bouwen en afbreken en overwegen. Dan wordt het spannend of het schilderij ‘lukt’ Of het gaat voldoen aan zijn belofte van wat er aan mogelijkheid of intentie in zit. We voelen op dat moment gezamenlijk dat er iets mogelijk is, dat het schilderij iets kan worden, maar het nog niet helemaal is!! Het is een moment dat het schilderij ons iets gaat vertellen, en dat het de kunst is om dat te kunnen lezen, zien, begrijpen. Het schilderij gaat dan een eigen leven krijgen, het is tot leven gekomen en het vraagt om dit of dat te doen, om….
* Vaak moeten we het schilderij eerst loslaten en afstand ervan nemen om dat te kunnen zien. Dat is nog steeds die mogelijkheid die we dan erkennen/ herkennen. Dat dragen we nauwelijks over in taal, maar we weten het wel van elkaar. We weten dat er een moment is dat er behoedzaam geschilderd en overwogen dient te worden. Het is voorbij het stadium dat we wilde dingen doen, geen wilde tonen meer opzetten.
* Wat doet 'Ben' wat 'Fo' nooit zou doen? 'Ben' zet vlakken neer, bijna automatisch. 'Fo' zet vaak eerst een constructie in lijnen. 'Ben' borstelt meer zijn vlakken erop, en graag met wit of zwart en dan wat doorgeborsteld zodat ze niet helemaal dekkend zijn; zijn lijnen zijn vaak striemend, hoekig/zigzag, en die van 'Fo' zijn eerder vloeiend en meer organisch. 'Fo' zet vaker kleurlagen over iets heen wat er al staat, zodat de kleur wordt omgezet van een partij. Hij gebruikt daarbij vaker geel/groen/violet/paars, en 'Ben' vaker zwart, sienna, ook wel geel, donkerblauw en vaak en veel rood, vaak in relatie tot zwart. Allebei indigoblauw, 'Ben' geen ultramarijn. Maar dat alles duurt slechts een half jaar en dan is het al weer achterhaald! We vreten elkaars schilderen in die zin op! Zo ontstaat er 'Benfo'!
* Vertrouwen: het Benfo-schilderen lukt alleen omdat er wederzijds vertrouwen is in elkaar. Zowel in het schilderkunstig vermogen en ons oordeel. Maar ook dat de één de ander niet wil weg schilderen of zijn wil wil op leggen. Of gaat betuttelen. Er is voortdurend een heen en weer gaande gelijkwaardigheid van inbreng. Er is al doende vertrouwen ontstaan dat waar de één vastzit hij de ander zijn gang kan laten gaan om het schilderproces gaande te houden of om ons erdoorheen te trekken. We kennen elkaars werk al erg lang natuurlijk. Er is ook vertrouwen dat de ander meekijkt en mee blijft doen en scherp blijft beoordelen. Ook als de ander aan het werken is en de een toekijkt. We dwalen ook in een later stadium door het schilderij, we waarderen de onderdelen en de stukjes. Vaak nadert het dan naar een titel toe. We genieten dan van het geschilderde, het licht, de transparantie. We wisselen dat uit en vertrouwen dat ook.
* We hebben allebei het stellige idee dat het schilderij meer moet doen dan alleen schilderkunstig mooi of verantwoord te zijn. We merken bij elkaar dat we verder willen en zoeken dan dat. Bijv de Benfo 10, waarin een zekere eenvoud zit en niet teveel schilderkunstige mooiigheid. Wel een belangrijk groot transparant stuk blauw. Weinig gêne naar elkaar om iets uit te proberen of neer te kunnen zetten, impulsief kunnen neerzetten zonder te denken dat dat voor de ander niet kan. Het is daardoor ook wederzijds afzien: daar gaat het mooie vlak...
* Er wordt veel in gelaagdheid gewerkt, dus wat er eenmaal staat blijft ook meedoen in het gehele schilderij. Er wordt heel weinig echt weg geschilderd. Dat geeft ook vertrouwen. Daarbij hoort ook dat we tussendoor veel drogen met de föhn, en dat de kleuren daarmee inzakken of afzwakken. Daardoor ontstaat ook weer die extra gelaagdheid.
* We zien vaak om ons heen abstract schilderen dat te glad is; te veel een mooi abstracte schilderij. We zitten meer aan de barse kant van het abstracte schilderen, het niet mooie. Het lijkt dat we vinden dat een boeiend schilderij niet glad kan zijn. Je moet moeite doen om erin te komen, om je een weg te banen. Aan de andere kant bieden wij een schilderij aan waar men werkelijk in kan gaan met zijn ogen. We doen een echt visueel aanbod. Een glad schilderij sluit zich af, daar kom je juist niet in. Dan is er geen opening (De Kooning: gate/deur), eigenlijk is er dan geen innerlijk van het schilderij. Wij willen dat een schilderij een eigen innerlijk heeft. Daar heeft het afzijn ook mee te maken: met dat er een innerlijk aanwezig komt in het schilderij en dat het in staat is om aan dat innerlijk ook een uiterlijke vorm te geven.
* We maken allebei weinig echt vlakke schilderijen. We willen verschillen in diepte in het schilderij.Je moet met je ogen kunnen stuiteren!
* Modern? We zijn niet informeel, we zijn ook niet schilders waarin het materiele aspect van het schilderen overheerst. We zijn zeker geen conceptuele kunstenaars. We zijn redelijk intuïtief. We zijn sterk associërend. We zijn niet alleen maar voortzetters van het abstract expressionisme van de jaren 1950. Want we kennen ook Kiefer, Förg, Rainer. Popart. We waarderen hen ook. Ook Raveel, Bacon.
* We zijn allebei hartstochtelijke stadsmensen. We zien de moderne verschijnselen van de stad: reclame, lichtreflecties, transparantie, maar ook de metrobouw, het opbreken van de stad, de moderne bouwconstructies, de nabijheid van mensen in de dynamiek van de stad. We leven niet in een werkelijke wereldstad, Amsterdam heeft zijn oude kern en een oude structuur waarin we allebei wonen en ons thuis voelen. Dus oud-nieuw, provinciaals! We zouden allebei de metro als onderdeel van onze stad niet willen missen. Ook de uitbreiding en expansie ervan met name niet. Hoewel we kritisch staan tegenover de moderne architectuur, bijv de formule van de glazen dozen, de metallic look, de scheve, organische bouwsels.
* De stad wisselt door de tijden heen. De ene wijk kan in verval raken en komt daarna weer op. Bijvoorbeeld de Zeedijk, of de designlijn aan de Rozengracht, of Geuzenveld dat veel nieuwbouw met koopwoningen krijgt. Dat fascineert ons allebei, daarmee voelen we ons verbonden. We accepteren zonder meer dat de stad een organisme is dat zich verandert en vernieuwt.De stad als een levend dier dat snijdt en gilt; dat zie je ook op straat: een pijp, een tag of graffiti, een jankende tram in de bocht, flitsende reclame. We genieten allebei van die expressieve uitingen.
* Je kan gewoon schilderkunstig onmogelijke dingen neerzetten en het blijkt dat die een plek kunnen krijgen. Dat is onze naturalistische kant, We zetten ahw bestaande dingen en vormen neer. Onze schilderijen zijn nieuwe dingen maar ze zijn wel denkbaar, omdat het om ons heen ligt: de stad en hoe die beweegt. Er is ook Amsterdams licht in ons schilderen. We glijden niet langs mekaar heen in onze kleurkeuze, hoewel er forse verschillen zijn. We hechten allebei sterk aan atmosfeer: we bezochten samen Jacob Maris vijf jaar geleden in het Teylersmuseum. Enc ook Mastenbroek boven in de Kunsthal (nota bene boven zijn jonge stadgenoot Willem de Kooning)
Benfo